De Hoge Raad heeft op 25 februari 2011 geoordeeld dat een enig aandeelhouder niet kon worden belast voor het rentevoordeel dat hij behaalde door geld te lenen van zijn BV en dit op zijn internetspaarrekeningen te zetten.
De Hoge Raad heeft op 25 februari 2011, nr. 10/00622 geoordeeld dat een enig aandeelhouder niet kon worden belast voor het rentevoordeel dat hij behaalde door geld te lenen van zijn BV en dit op zijn internetspaarrekeningen te zetten. Hij betaalde een zakelijke rente van 2,5% voor het geleende geld en stortte dit meteen door naar drie internetspaarrekeningen waarop hij een gemiddelde rente van 3,6% ontving. Door deze simpele handeling behaalde hij in privé een voordeel van ruim 10.600 euro. De Hoge Raad heeft op dezelfde datum ook het cassatieberoep in een vergelijkbare zaak (nr. 10/00623) gegrondverklaard; hier ging het om een voordeel van ruim 8.600 euro.
De inspecteur en Advocaat Generaal Niessen waren in beide zaken van mening dat het rentevoordeel van 1,1% als een resultaat uit overige werkzaamheden moest worden aangemerkt omdat de man zijn positie als directeur tevens grootaandeelhouder gebruikte om een voorzienbaar voordeel te behalen. De Hoge Raad acht het behaalde voordeel echter onbelast omdat, anders dan de minister van Financiën stelde, wel degelijk moet worden bekeken of sprake is van het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal actief vermogensbeheer te boven gaat. De Hoge Raad oordeelt dat het uitzetten van gelden op een spaarrekening niet verder gaat dan normaal actief vermogensbeheer waarbij niet van belang is dat de gestorte bedragen zijn geleend noch van wie deze bedragen zijn geleend. De kennis van rentetarieven op spaarrekeningen is verder algemene kennis en is dus geen bijzondere vorm van kennis in de zin van artikel 3.91,lid 1, onderdeel c Wet Inkomstenbelasting 2001.
Of er mogelijk sprake was van een in box 2 belastbaar voordeel uit aanmerkelijk belang is in dit geval niet ter sprake gekomen, waarschijnlijk omdat de inspecteur de aan de BV betaalde rente al als zakelijk had aangemerkt. Hof Amsterdam (nr. 07/01023) ging in een vergelijkbaar geval echter uit van een uitdeling aan de directeur tevens grootaandeelhouder omdat een zakelijke vergoeding gelijk moest zijn aan de rentevergoeding op de internetspaarrekening. Het Hof keek onder meer naar het gemiddelde rendement op leningen met een looptijd van drie tot vijf jaar.