Een belastingplichtige kan met elk bewijsmiddel, ook door het afleggen van een mondelinge verklaring, doen blijken dat hij de hem ter beschikking gestelde auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt. Daarvoor hoeven niet alleen schriftelijke stukken te worden overlegd. Aan een werknemer van een autoverhuur- en leasebedrijf worden in 2004 auto’s ter beschikking gesteld. In deze auto’s mag hij ook privé rijden.
Een deel van 2004 moest de werknemer een auto die hem op dat moment ter beschikking was gesteld, overdag beschikbaar stellen voor zogenoemde pendelritten. Andere medewerkers van het bedrijf gebruiken de auto voor het halen en brengen van huur- en leaseauto’s naar verschillende adressen. De werknemer heeft een rittenadministratie overlegd om aan te tonen dat hij met de auto minder dan 500 kilometer privé had gereden. De pendelritten werden niet volledig in de rittenadministratie verwerkt. Er was niet aangegeven wat de bestemming van de auto’s was en welke route is gereden. De inspecteur en Hof Den Haag vinden dat de werknemer niet naar behoren heeft aangetoond dat de auto voor minder dan 500 kilometer privé is gebruikt. De Hoge Raad is het er mee eens dat de rittenadministratie niet voldoet aan de daarvoor gestelde eisen. Het hof is er echter ten onrechte vanuit gegaan dat (aanvullend) bewijs slechts kan worden geleverd met schriftelijke stukken. De verklaringen die de werknemer voor de rechtbank heeft afgelegd, kunnen ook als bewijs worden aanvaard. Een belanghebbende kan met elk bewijsmiddel doen blijken dat hij de hem ter beschikking gestelde auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden heeft gebruikt.