nieuws

Saldo lijfrentemethode

juni 2010

Hoofdregel is dat met ingang van 2009 elke uitkering uit een lijfrente in box 1 wordt belast. De systematiek van de lijfrentepremieaftrek blijft daarbij ongewijzigd. Die systematiek brengt mee dat een premie tot een maximum aftrekbaar is (denk bijvoorbeeld aan het maximum van de jaarruimte). De hoofdregel kan dus meebrengen dat een uitkering volledig is belast, terwijl de betaalde premie niet volledig is afgetrokken. Om de gevolgen daarvan te verzachten, valt voor de jaren 2009 en daarna de niet afgetrokken premie tot een maximum van € 2.269 per jaar per belastingplichtige onder de saldomethode.

Voorbeeld 1
A sluit in 2009 een lijfrente tegen een koopsom van € 10.000,–. Hij denkt binnen de jaarruimte de gehele koopsom te kunnen aftrekken. In zijn aangifte voert A dan ook een lijfrentepremieaftrek op van € 10.000,–. De Belastingdienst constateert bij controle echter een fout in de berekening van de jaarruimte: maximaal is niet € 10.000,– maar € 9.000,– aftrekbaar. De aangifte wordt gecorrigeerd. Volgens de huidige wetgeving heeft dit tot gevolg dat de lijfrente gedurende zijn gehele looptijd voor 1.000/ 10.000-deel van de waarde in box 3 valt. Per 1 januari 2009 valt de koopsom voor € 1.000,– onder de saldomethode. Dit betekent dat als de lijfrente uitkeert € 1.000,– onbelast is.

Voorbeeld 2
Als voorbeeld 1, maar nu kon A niet € 1.000,– maar € 3.000,– niet aftrekken. Volgens de huidige wetgeving heeft dit tot gevolg dat de lijfrente gedurende zijn gehele looptijd voor 3.000/ 10.000-deel van de waarde in box 3 valt. Per 1 januari 2009 valt € 2.269,– onder de saldomethode. Dit betekent dat als de lijfrente uitkeert € 2.269,– onbelast is. Voor het verschil tussen het niet-aftrekbare bedrag van € 3.000,– en het maximum van de saldomethode € 2.269,– ofwel € 731,– wordt geen tegemoetkoming gegeven. Het restant bedrag van € 731,– valt in box 1 en wordt volledig in de belastingheffing betrokken.

In de jaren 2001 tot en met 2008 gesloten lijfrentecontracten

Lijfrentecontracten die zijn gesloten in de jaren 2001 tot en met 2008 vallen onder dezelfde regeling. Het maximum van de saldomethode voor deze contracten is voor de jaren 2001 tot en met 2008 echter onbeperkt. De in deze jaren opgebouwde box 3-delen worden met ingang van 2009 in box 1 in aanmerking genomen. De premies die in deze jaren niet zijn afgetrokken, vallen volledig onder de saldomethode.

Voorbeeld 3
B heeft in 2001 een lijfrente gesloten tegen een premie van € 10.000,–. Volgens zijn berekeningen valt deze premie elk jaar onder het maximum van de jaarruimte. Bij zijn aangifte over 2006 heeft B zich echter flink vergist: niet € 10.000,– is aftrekbaar maar slechts € 6.000,–. Naar rato van het niet afgetrokken bedrag van € 4.000,– is een box 3-deel ontstaan. Per 1 januari 2009 wordt dit box 3-deel omgezet in een saldo van € 4.000,–. Dit betekent dat als de lijfrente uitkeert € 4.000,– onbelast is.

In de jaren vóór 2001 gesloten lijfrentecontracten

Voor de lijfrentecontracten die op 31 december 2000 bestonden, is in de Invoeringswet Wet IB 2001 een complexe overgangsregeling opgenomen. In deze regeling komt ook een saldomethode voor. Deze methode kent een maximum van € 2.269,– per contract (in plaats van per belastingplichtige). Deze saldomethode is dus ruimer dan de saldomethode per 1 januari 2009. Het is zeker niet de bedoeling om beide bedragen van de saldomethode voor de jaren 2009 en daarna te laten cumuleren. Voor een bestaand contract kan dus niet tweemaal het bedrag van € 2.269,– worden geclaimd. Aan de andere kant is het overgangsrecht voor deze bestaande contracten met ingang van 2009 niet beperkt. Voor deze contracten blijft het ook na 2008 mogelijk om van de ruimere saldomethode (op grond van de overgangsregeling welke in 2001 in de Wet IB 2001 is opgenomen) gebruik te maken. Ook voor deze bestaande contracten geldt dat in de jaren 2001 tot en met 2008 een box 3-deel kan zijn ontstaan. Ook deze box 3-delen vallen onder de onbeperkte saldomethode zoals hiervoor omschreven onder het kopje ‘In de jaren 2001 tot en met 2008 gesloten lijfrentecontracten’. Het is de bedoeling van de wetgever dat met ingang van 2009 alle box 3 -delen zijn omgezet in box 1-delen waarvoor de saldomethode geldt.

Uitstel van uitbreiding van inhoudingsverplichtingen.

Na overleg met de verzekeringsbranche is besloten om de voorstellen over de inhouding van loonbelasting op verzekeringsuitkeringen en afkoopsommen pas op 1 januari 2010 te laten ingaan.

Lijfrenten voor gehandicapte kinderen.

Ook banken en beleggingsinstellingen kunnen, na invoering van de Wet Banksparen, gefacilieerde lijfrenteproducten aan hun klanten aanbieden. In de Wet IB 2001 is een specifieke lijfrentevorm opgenomen voor de verzorging van een gehandicapt kind. Deze lijfrentevorm mag alleen door een professionele verzekeraar worden aangeboden. Op de vraag of deze lijfrentevorm ook bij banken en beleggingsinstellingen afgesloten kan worden, heeft de staatssecretaris van Financiën geantwoord dat het kabinet geen voornemen heeft om dat mogelijk te maken.

nieuws