nieuws

Lijfrenteperikelen

juli 2009

Een lijfrente is de uitkering van een soort aanvullende pensioenverzekering of bankspaarproduct. Er wordt kapitaal gespaard, belegd of in één keer gestort, dat wordt aangewend voor een periodieke uitkering. Wanneer de betaalde premies fiscaal aftrekbaar zijn, is de toekomstige uitkering belast.

Een lijfrente is de uitkering van een soort aanvullende pensioenverzekering of bankspaarproduct. Er wordt kapitaal gespaard, belegd of in één keer gestort, dat wordt aangewend voor een periodieke uitkering. Wanneer de betaalde premies fiscaal aftrekbaar zijn, is de toekomstige uitkering belast.

Als de premie in één keer voldaan wordt dan heet het een koopsom. Met de inleg wordt gespaard of belegd door de verzekeraar om meer kapitaal op te bouwen voor de begunstigde. Lijfrenteverzekeringen worden altijd voor een bepaalde periode afgesloten, als de verzekering afloopt kan met het opgebouwde kapitaal een lijfrente gekocht worden.

Dat kopen hoeft niet bij dezelfde verzekeraar als waar het kapitaal is opgebouwd. Iemand kan kiezen voor de verzekeraar die de beste voorwaarden biedt. In de afbouwfase (de fase van uitkering) ontvangt de eigenaar van de lijfrente per maand of per jaar een uitkering. Deze lijfrente kan tijdelijk of levenslang uitgekeerd worden, daarvoor kiest iemand zelf bij afsluiten.

Fiscaal

De betaalde premie is soms fiscaal aftrekbaar in box 1 als uitgave voor inkomensvoorzieningen. Over het opgebouwde kapitaal hoeft dan ook geen vermogensrendementsheffing betaald te worden. Over de uitkering moet tijdens de uitkering wel inkomstenbelasting betaald worden, eveneens in box 1.

Om de premie van het belastbaar inkomen af te mogen trekken moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. In de eerste plaats moet de lijfrenteverzekering worden afgesloten bij een door de Belastingdienst erkende verzekeraar. De lijfrente moet bovendien ter compensatie voor het pensioentekort zijn, of voor meerderjarige invalide kinderen en –kleinkinderen of voor periodieke uitkeringen bij invaliditeit, ziekte of ongeval van de belastingplichtige.
Bij een lijfrente ter compensatie van het pensioentekort zijn er fiscaal gezien drie mogelijkheden:

Oudedagslijfrente

Deze lijfrente is een levenslange inkomensvoorziening. De uitkering mag op ieder willekeurig moment ingaan tussen de 65- en 70 jaar, de uiterste datum. De lijfrente is persoonsgebonden, bij overlijden van de verzekerde stopt de uitkering.

Tijdelijke Oudedagslijfrente

Met deze lijfrente kan het inkomen tijdelijk aangevuld worden, bijvoorbeeld omdat er voor een bepaalde periode nog hypotheek betaald moet worden. De duur van de uitkeringen moet minimaal vijf jaar zijn en de uitkeringen mogen pas ingaan na de 65ste verjaardag. De uitkering vervalt aan het einde van de looptijd of – als dat eerder is – bij overlijden. Ook deze lijfrente is persoonsgebonden.

Nabestaandenlijfrente

Een nabestaandenlijfrente is een lijfrente die na het overlijden van de verzekerde uitkeert aan de nabestaanden (partner en kinderen). In het algemeen zijn zulke lijfrentes gekoppeld aan een oudedagslijfrente. Nabestaandenlijfrenten worden soms afgesloten om ervoor te zorgen dat een nabestaande een hypotheek kan aflossen. Bij veel hypotheken is een overlijdensrisicoverzekering immers verplicht. Tot 1 januari 2006 was ook de premie voor een overbruggingslijfrente fiscaal aftrekbaar. Nu niet meer.

Risico

Een lijfrente kan worden afgesloten op basis van garantie of risico. Bij een lijfrente op basis van garantie staat vooraf vast hoeveel kapitaal iemand opbouwt, hoe de beleggingen ook uitpakken. De verzekeraar staat garant voor het eindkapitaal. Bij een verzekering op basis van risico is niet op voorhand te zeggen hoeveel kapitaal er uiteindelijk wordt opgebouwd, dat kan mee- of tegenvallen. De premie voor een lijfrente op basis van garantie is hoger dan een beleggingslijfrente. Een combinatie van garantie en risico is ook mogelijk.

Pensioengat

Verzekeraars doen niets liever dan u een pensioengat of breuk voorrekenen. Voordat u zich laat bijverzekeren: een pensioengat betekent enkel dat u op een pensioen afstevent van minder dan 70% van het laatstverdiende salaris. Voor veel mensen hoeft dat geen ramp te zijn. Los daarvan kan een pensioengat u mogelijk wel fiscaal voordeel opleveren.
Volgens het Verbond van Verzekeraars heeft 80% van de werknemers in Nederland een pensioengat. Een pensioengat is ook snel opgelopen. Bent u enkele keren van werk veranderd, gescheiden of wellicht heeft u een periode parttime werk verricht? Ook als u tweeverdiener bent, variabel inkomen heeft, een aantal jaren in het buitenland heeft gewoond of simpelweg een leaseauto heeft; in al die gevallen is er grote kans dat u een pensioen van minder dan 70% opbouwt. Al deze zaken kunnen er namelijk voor zorgen dat u in een jaa periode te weinig voor het pensioen heeft weggezet.

Overwaarde

Die 70% is ooit als grove leidraad door iemand bedacht. Niet iedereen heeft na pensionering zoveel inkomen nodig. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de mogelijkheden om de overwaarde op uw huis te gelde te maken. Ook een te verwachten erfenis mag best meegenomen worden. En ten slotte: heeft u nog wel zoveel inkomen nodig als u bijvoorbeeld 80 bent?
Vragen als deze zijn zeker belangrijk, maar er speelt nog een andere zaak mee die kan bepalen of u wel of niet moet gaan bijsparen: fiscaal voordeel.
Tegenwoordig mag u de verzekeringspremie alleen aftrekken als er een pensioengat is. Dat pensioengat is er als u per jaar minder dan 17% van uw totale inkomen opzijzet in een pensioenregeling. Maar bijna iedereen heeft dus zo´n pensioengat.
U mag dus feitelijk altijd 17% van je inkomen in je oudedag/lijfrente stoppen. Aftrek biedt voordeel ten opzichte van de situatie dat hetzelfde bedrag rechtstreeks wordt belegd of gespaard. Qua eindopbrengst zit er een enorm verschil tussen 1000 euro op de bankrekening zetten of hetzelfde in een lijfrente storten. U krijgt in dat tweede geval (in de hoogste schijf) namelijk 520 euro terug van de belasting, zodat de netto-investering in feite slechts 480 euro is. Wél geldt dat de uitkeringen die te zijner tijd uit een lijfrentepolis moeten worden gedaan, belast zijn. De belastingdruk is na je 65e echter aanmerkelijk lichter zodat een groot deel van het voordeel blijft bestaan. Aan de aftrek zitten wel voorwaarden. Hoeveel er afgetrokken mag worden hangt voornamelijk af van in hoeverre er elders al voor het pensioen is gespaard. Op de site van de Belastingdienst en op vele sites van financiële dienstverleners is er een rekenprogramma waarmee die ruimte te berekenen is, de zogeheten jaarruimte.

Berekening:

Voor wie de ruimte voor aftrek zelf wil berekenen, voor de meeste mensen is deze als volgt: 17% x P (premiegrondslag) – 7,5 A (pensioenaangroei) = aftrek. De premiegrondslag is alle inkomsten (loon, freelance, winst en uitkeringen zoals ww en wia). De pensioenaangroei is het bedrag dat u het voorgaande jaar aan pensioen heeft opgebouwd. Vanaf 1 januari 2007 is de pensioenaangroei te vinden in het ‘Uniform Pensioenoverzicht’.
Ten slotte moet het spaarloonbedrag dat benut wordt voor storting van pensioenpremies aan het pensioenfonds, ook afgetrokken worden. Dit is dus niet de storting van spaarloon in een lijfrenteverzekering. De meeste mensen zullen met deze twee zaken echter niets van doen hebben.

1992

Lijfrenteverzekeringen en koopsompolissen (hierbij wordt eenmalig een premie gestort) gingen in de ‘goede oude tijd’ – in het belastingregime van voor 1992 – als warme broodjes over de bank. Verzekeraars profiteerden daarvan door vaak met hoge kosteninhoudingen te werken, de consument had als voordeel dat de inleg aftrekbaar was van de inkomstenbelasting. Op een investering van 1000 euro kon je – afhankelijk van de hoogte van je belastingschijf – tot 52% (ooit zelfs 60%) aftrekken. Dat fiscale voordeel zorgde ervoor dat vermogensopbouw via een verzekeraar – ondanks de hoge kosten – toch aantrekkelijk was. Die aftrekmogelijkheid werd wel steeds verder versoberd.

Sinds 1 januari 2009 is er weer iets gewijzigd: er wordt nu bij een lijfrente altijd aangenomen dat u de premie in het verleden al hebt kunnen aftrekken. Hoe zit dat nou precies?

In 2001 kregen we een nieuw belastingstelsel. Sindsdien worden lijfrente-uitkeringen belast in box 1 als de premie is afgetrokken. Wanneer de premie niet kan worden afgetrokken, wordt de waarde van de polis belast in box 3. De uiteindelijke uitkeringen zijn dan onbelast. Wanneer de premies maar gedeeltelijk zijn afgetrokken, blijft het één polis gesplitst in een box 1- en een box 3-gedeelte.

Juist omdat lijfrenteverzekeringen vaak jarenlang lopen en de regels voor aftrek nogal eens veranderen, zijn er veel mensen met een polis die gedeeltelijk in box 1 en gedeeltelijk in box 3 valt. Het toepassen van twee verschillende belastingsvormen binnen één polis maakt de situatie er natuurlijk niet overzichtelijker op. Men wilde er daarom vanaf en heeft de wet aangepast. Vanaf 1 januari 2009 wordt er nu bij een lijfrente altijd aangenomen dat het gaat om een lijfrenteverzekering waarvan u de premie heeft kunnen aftrekken. Niet zo leuk, als u in werkelijkheid maar een gedeelte of helemaal niets hebt kunnen aftrekken. In het jaar van premiebetaling had u maar een kleine aftrekpost en later wordt u behandeld alsof u de hele premie afgetrokken hebt. Wel is er overgangsrecht voor al bestaande polissen, maar dit vereist wel actie van uw kant.

Betaalde u tussen 2001 en 2008 lijfrentepremie maar kon u deze premie niet of maar gedeeltelijk aftrekken? Dan hebt u vier mogelijkheden:

  1. U doet niets; alle lijfrentetermijnen worden dan belast in box 1. Dit is dus een goede keus wanneer u altijd de gehele premie hebt kunnen aftrekken.
  2. U vraagt de verzekeraar de saldomethode (zie onderaan de tekst) toe te passen voor het gedeelte van de polis waarvan u de premie niet hebt kunnen aftrekken. De hele polis zit dan voortaan in box 1, u hoeft niets meer aan te geven in box 3 en u betaalt over de uitkering pas belasting als u meer ontvangt dan u aan niet afgetrokken premies heeft gestort. De verzekeraar zal dit overigens pas doen wanneer die er zeker van is dat u de premies inderdaad niet heeft afgetrokken. U hebt dus een beschikking van de Belastingdienst nodig waaruit blijkt welk deel u niet hebt afgetrokken. U kunt wachten met dit te regelen tot vlak voordat u een lijfrente gaat kopen. Handiger is dit nú al te doen, het bewijs is nu makkelijker te leveren dan over 20 jaar.
  3. U kunt in veel gevallen het box 3-gedeelte van de polis uit de verzekering halen en onderbrengen in een aparte box 3-polis. U geeft dan jaarlijks de waarde van deze polis op in box 3. De uiteindelijke uitkeringen zijn onbelast.
  4. Afhankelijk van de waarde van uw polis zou u ook kunnen kiezen voor afkoop. Sinds dit jaar hoeft u voor de afkoop van een polis met een waarde onder de €4068 geen revisierente (zeg maar boete) meer te betalen. De afkoopsom wordt door de fiscus beschouwd als een lijfrente-uitkering. U betaalt er dus gewoon belasting in box 1 over, maar u hoeft niet de ooit afgetrokken premies weer bij uw inkomen te tellen. Niet de hele premie kunnen aftrekken maar worden behandeld alsof je dat wel hebt gedaan, het klinkt ontzettend onrechtvaardig. Ik denk dat het uiteindelijke resultaat van deze wetswijziging kan meevallen. Deze wijziging confronteert mensen nú met iets dat ze anders pas in 2023 zouden merken (of in welk jaar hun lijfrente ook zou ingaan) namelijk dat ze – wanneer ze niet opletten – straks over hun hele lijfrente in box 1 belasting gaan betalen. In theorie was dat tot nu toe anders, maar in werkelijkheid zullen de meeste mensen er niet in slagen om in 2023 nog te bewijzen dat ze een gedeelte van hun premie niet hebben kunnen aftrekken. Men is het vergeten, heeft de aangiftes en aanslagen allang weggegooid, kortom in 2023 zal men merken dat er over de hele lijfrente gewoon belasting betaald gaat worden. Nu denkt u misschien dat de Belastingdienst al uw aangiftes bewaart en dat het gewoon een kwestie is van even opvragen. Dat zal u dan tegenvallen in 2023. Kortom, u kunt dit maar beter nu weten, nu kunt u immers nog maatregelen nemen, in 2023 is het te laat.

Toepassing van de saldomethode wil zeggen dat uw lijfrente-uitkeringen pas belast worden op het moment dat u meer krijgt uitgekeerd dan u aan – niet afgetrokken – premies heeft betaald. Stel u stort jaarlijks 500 euro in een lijfrenteverzekering. U kunt deze stortingen niet aftrekken. Uiteindelijk spaart u op die manier in 30 jaar 20.000 euro bij elkaar. U koopt van dit kapitaal een levenslange lijfrente van 2000 euro per jaar. Wanneer de saldomethode van toepassing is, betaalt u de eerste 7,5 jaar geen belasting over de uitkering. Na 7,5 jaar heeft u 15.000 euro ontvangen, dat is gelijk aan het bedrag van uw stortingen (30 x 500 = 15.000). Daarna worden de uitkeringen verder in box 1 belast.

nieuws