De oudedagsvoorzieningen in Nederland bestaat ruwweg uit drie pijlers: de AOW, een aanvullend pensioen uit dienstbetrekking en lijfrenten. Een lijfrente is een van het leven afhankelijke periodieke uitkering, die voortvloeit uit een op eigen initiatief getroffen voorziening en die geen verband houdt met een dienstbetrekking.
Ondernemers-natuurlijke personen (bijvoorbeeld ondernemers met een eenmanszaak of firmanten van een vennootschap onder firma), kunnen alleen in de derde pijler met een lijfrentepolis een (fiscaal gefacilieerde) voorziening treffen voor hun oude dag en/of de nabestaanden. Ook werknemers met een pensioentekort kunnen in beginsel via het lijfrenteregime hun pensioen in de derde pijler aanvullen. Een lijfrentepremie is onder voorwaarden en volgens bepaalde fiscale normen aftrekbaar waarbij belastingheffing over de latere lijfrente-uitkering plaatsvindt. Op dit moment zijn mensen, die fiscaal ondersteund individueel willen (bij-)sparen voor hun oudedagsvoorziening, gedwongen dit bij een verzekeraar te doen. De uitvoeringskosten hiervan zijn hoog en ondoorzichtig.
De Tweede-Kamerleden Depla (PvdA) en De Vries (VVD) willen de ‘oudedagsparaplu’ uitbreiden met een faciliteit waarbij men via een geblokkeerde spaarrekening bij een bank of een beleggingsrecht bij een beheerder van een beleggingsinstelling individueel een (aanvullende) oudedagsvoorziening in de derde pijler kan opbouwen.
Het banksparen heeft veelal lagere kosten dan het verzekeringsparen (via een lijfrente). Het wetsvoorstel leidt ertoe dat zelfstandig ondernemers, zelfstandigen zonder personeel (zzp-ers), freelancers en werknemers in loondienst met een pensioengat een hoger pensioenkapitaal kunnen opbouwen. Het voorstel van de kamerleden komt in grote lijnen erop neer dat het sparen via een geblokkeerde bankrekening of beleggingsrecht dezelfde fiscale faciliteit krijgt als een lijfrente. De stortingen op de geblokkeerde bankrekening of beleggingsrecht zijn onder voorwaarden en binnen aangegeven kaders fiscaal aftrekbaar.
Enige hoofdlijnen van de voorgestelde regeling:
- De maximale hoogtes van de fiscaal gefacilieerde spaarbedragen zijn gelijk aan die bij het lijfrenteregime.
- De blokkering van de spaarrekening of het beleggingsrecht duurt tot uiterlijk het 70ste levensjaar.
- Het geblokkeerde spaartegoed kan worden aangewend voor de aankoop van een recht op periodieke uitkeringen bij een verzekeraar. Het is echter ook mogelijk om het geblokkeerde spaartegoed onder bepaalde voorwaarden in vaste en gelijkmatige termijnen te laten uitkeren door een bank of beleggingsinstelling.
De uitkering van de bank of beleggingsinstelling mag in beginsel niet eerder ingaan dan het 65ste levensjaar, maar uiterlijk op het 70ste jaar. Indien de uitkering in of na het 65ste levensjaar ingaat, bedraagt de minimale uitkeringsduur vijf jaar. De hoogte van de uitkering is (bij een kortere uitkeringsduur dan 20 jaar) gemaximeerd. De voorwaarden komen in dit geval zoveel mogelijk overeen met de tijdelijke oudedagslijfrente. Indien de uitkering eerder ingaat dan het 65ste levensjaar of hoger is dan het hiervoor bedoelde maximum, bedraagt de minimale uitkeringsduur 20 jaar, vermeerderd met het aantal jaren dat de spaarder-rechthebbende jonger is dan 65 jaar. - Net als bij lijfrentes geldt voor de bovengenoemde spaarvormen een afkoopverbod.
- Bij overlijden van de spaarder-rechthebbende kan het tegoed in vaste en gelijkmatige termijnen worden uitgekeerd aan de nabestaanden.
- Bij hele kleine tegoeden (€ 361,02 per jaar en € 722,04 bij emigratie) kan het tegoed in één termijn worden uitgekeerd.
De beoogde datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel is 1 januari 2007.
Bron: Tweede Kamer, 30 juni 2006, 30432 nrs. 1-6